
Ik ben niet te doen’
Marleen Vandewal
De grijze alledaagsheid van de Lierse Lispersteenweg wordt goedgemaakt door het zicht op een diepe tuin en een pereboom, een kop sterke koffie en Frouke (6) die ongestoord blijft babbelen, tekenen, touwspringen en peperkoek eten. De winter ziet er echter ook anders uit door een lerares die op school en daarbuiten in alles ‘niet half maar helemaal’ is.
‘Jarenlang ging ik naar de vieringen in de Ark in Boechout. De Ark ken ik nu al meer dan twintig jaar lang. Eerst vertelde mijn zus Kathelijn over de dinsdagavondvieringen waar iedereen welkom was. Sedertdien heb ik er een band opgebouwd, vooral met de mensen die er heel hun leven verblijven. Nu en dan spring ik er bij, om te koken en er aanwezig te zijn tussen zes en acht. Niemand die mij nog vraagt ‘wat ik daar kom doen’.
Nogal wat mensen die naar de Brug komen, hebben een band met de Ark.
‘ Zeker. Er zijn tijden dat ik op zondag eerst naar een viering in de Ark ging en daarna naar de Brug kwam. Als ik daar niemand mee stoor, dan doe ik toch waarin ik zin heb?’
En in de week?
‘ Dan geef ik chemie, fysica en biologie aan vijfde- en zesdejaars in Pius X. Dat lesgeven is mijn roeping, dat doe ik ontzettend graag. Al záág ik ook wel eens over school (maar dat wil zeggen dat het mij niet onverschillig laat) en al vinden de leerlingen mij veel te streng (‘Vandewal? Niet te doen!’). Daarnaast ga ik op in de wetenschappelijke vragen naar het hoe en waarom. Hoe komt het, wat kunnen wij naast elkaar leggen? Ik studeerde biochemie in Antwerpen. Over chemische processen in mensen, dieren en planten.’
Om te ontdekken dat God in onze hersenen genetisch is vastgelegd?
‘ Als ik honger krijg, dan moet ik eten. Zo kan ik niet zonder religie. Er was een periode dat ik niet naar de Brug kwam. Dan ging ik ergens naar een klassieke viering, voor mij nog altijd beter dan niéts, hoe triestig het daar ook was. Nu kom ik terug naar de Brug. Voor mij niet het ideaal, maar wel wat op dit moment het sterkste bij mij aansluit. Vooral omwille van het zingen: het is een beleving. Dat is bidden voor mij.’
Vanuit een inwendig moéten?
‘ Ja, zoiets. Misschien wel genetisch bepaald, maar niet iets dat ik met mijn opvoeding meekreeg. Het ligt anders bij mijn broer en zussen. Misschien is dat ‘moeten geloven’ een ongevaarlijke afwijking van mij? In de Ark leerde en zag ik dat wij allemaal ergens gehandicapt zijn, ieder op zijn of haar manier.’
Een zinvolle obsessie?
‘ Ik weet niet of het zinvol is, maar het is er wel. Voor mij heeft het zin. En of ik dat kan doorgeven aan Frouke? Waarden, gewoonten kan ik doorgeven, maar dat gevoel, neen. In dit verband vind ik het heel spijtig dat de kindernevendiensten niet meer bestaan. Je kan toch geen gemeenschap maken waar alleen ruimte is voor volwassenen en niet voor kinderen? Tijdens de vieringen kleurt Frouke nu, ze leest in boekjes. Niets van wat er gebeurt , kan tot haar doorsijpelen. Goed, wij zijn geen gemeenschap, maar door het feit dat je elkaar regelmatig ontmoet op zondag is er toch een soort verbondenheid, niet?’