Wim Boschmans

 
Wim Boschmans

Ja en ja, maar overtroffen neen

Met een historicus glijdt een gesprek gemakkelijk en vlug naar vroeger. Niet naar de oudheid, maar naar de roots, het begin, de oorsprong. Wim Boschmans heeft op zijn zolder alle mogelijke documenten over het Leerhuis- en Liturgieproject, van statuten, berichtjes tot boze brieven en de ántwoorden op die boze brieven.

‘Ik ben een geboren en getogen Lierenaar. Ik werd geboren tijdens de oorlog, volgde humaniora aan het Gummaruscollege en studeerde geschiedenis, eerst in Leuven, daarna in Gent. Tijdens de Praagse Lente deed ik legerdienst in Duitsland. In 1969 begon ik les Nederlands en geschiedenis te geven in het Sint-Agnesinstituut te Borgerhout. En na vier jaar lesgeven en twee jaar onderdirecteurschap werd ik directeur. Dat was ik ononderbroken tot 1995 toen ik last kreeg van mijn hart. Na een periode jaar ziekteverlof ging ik op mijn 55ste met pensioen.’

Hm, tussendoor bent u ook getrouwd?
‘ Ik trouwde in 1969 en kreeg met Lina twee dochters.’

Getrouwd met de toen obligate lange haren?
‘ Neen, maar van toen tot op vandaag toch een ‘68-er’ gebleven. Ik verwonderde er mij al bij mijn eerste lessen in Borgerhout over dat de leerlingen zo volgzaam waren. Ze waren niét kritisch. Ook vandaag verwonder ik mij er over dat volwassenen zo weinig bereid blijken om zaken vanuit een ander oogpunt te bekijken, de dingen om te keren. Wij vallen graag terug in plooien.’

En uw eigen opstandigheid dan?
‘ In Gent volgde ik o.m. les bij moraalprofessor Jaap Kruithof. Ik ondervond bij mezelf: ‘Niet met mij’ als het om zijn nogal agressief atheïsme ging. Voor alle duidelijkheid: Kruithof gaf zeer goed les en die lessen waren enorm interessant. Maar ik luisterde met de instelling: ‘Je kan mij toch niet overtuigen, ik ga daar niet in mee.’ Weet je, al rond 1969 was ‘naar de mis gaan’ iets beneden onze studentenstand. Dat deed je al niet meer. Behalve tijdens de examens. Maar in het weekend als ik thuis was trok ik naar de jezuïetenkerk, ondanks de oude knarren die daar zaten. Uit principe zei ik dan: ‘Toch doe ik dat.’

In die geest stond je ook mee aan de wieg van ‘de Brug’?
‘ Ja, in 1985 kwam voor het eerst op een barbecue de Cantorij van de Heilig Hartparochie samen. Daarvóór waren er al jeugdvieringen, later gezinsvieringen met toespraken voor kinderen. In het begin zongen wij met grote feesten, maar dat was toen heel vrij, heel open, er waren heel wat mensen van de parochie die meezongen. Geert dirigeerde, er was een nieuwe keuze aan liederen, die sommigen verraste natuurlijk, vooral ouderen. En de pastoor liet het gebeuren. Er kwamen thematische vieringen, werkgroepen, vergaderingen, ruzies, ontbindingen, nieuwe initiatieven. En daar is dan Leerhuis- en Liturgieproject uit gegroeid met een opvoering van het Lied van de Aarde. En in 1991, tijdens de première van de Missa Solemnis heeft de vader van Wannes Vanderhoeven tijdens de pauze geproclameerd dat er een vzw was opgericht: eerst Het Pannenhuis en nadien de Leerhuis- en Liturgieprojecten Lier waren geboren. In 1994 stapten wij over naar de Kapucijnenvest. Er waren omtrent die overgang nogal wat ballonnetjes opgelaten. Er kwam eerst nog een interne enquête. Je kon kiezen tussen ‘Ja, Neen, Ja maar en Neen maar’. Tijdens een vergadering op een Cantorijweekend die ik nog heb gemodereerd, mocht iedereen van de Cantorij nadere uitleg vragen. Op die vragen werd geantwoord, maar er werd niet meer gediscussieerd. Dat was al genoeg vooraf gebeurd. De ja’s en ja maars hadden het grote overwicht op de neens.’

Van in het begin draaide het rond het koor, ‘de Cantorij’ en het liedrepertorium?
‘ Ja, maar pas na een tijdje was het Oosterhuis. In het begin was het ‘van alles’. Een spiritual, jeugdmissen, er zat geen echte lijn in. Oosterhuis kwam erin omdat Geert zijn thesis in godsdienstwetenschappen over Oosterhuis maakte. Dan kwam de link met Amsterdam, het Lied van de Aarde, een stroomversnelling.’

Hoe heeft u zich daar zelf bij gevoeld?
‘ Vanaf het begin ging er voor mij een nieuwe wereld open. Er werd heel veel overboord gegooid. Ik vond dat goed. Het was interessant voor mij om het Oude Testament terug te ontdekken. Tot dan toe kende ik voornamelijk ‘verhaaltjes’. Ik moet zeggen dat ik regelmatig de knop hierboven moest omdraaien om mee te kunnen. Wegens ‘te nieuw’. Was ik teveel geworteld in het oude systeem, als misdienaar bij de Dominicanen? Maar op de duur verdwenen álle kapstokken, de vertrouwde structuren gleden als zand tussen mijn vingers. Ik heb die nog altijd niet terug. Ik weet niet meer waar ik zit. Dat vind ik een tekort. Familie, school, parochie, je was ingekapseld, er waren zekerheden. Nu werd alles afgebouwd, hoe langer hoe meer.’

En de vieringen?
‘ Die lijken mij nu meer en meer cerebraal. De emotie is weg. Het gaat allemaal teveel met het verstand. Buiten de muziek (en dan nog) bespeur ik weinig emotie. Ik bedoel: wij zijn zowat naar het stijf Hollandse calvinisme afgedaald. En ik zeg wel: afgedááld.’

Je mist een zekere warmte?
‘ Mja, vooral ook door het taalgebruik. De toespraken richten zich soms erg tot het verstand.’

U blijft wel een trouwe Brugganger.
‘ Het laatste anderhalf jaar gaan Lina en ik met vrienden al eens op reis. Dan zijn we op zondag afwezig. Als ik vroeger een zondag ziek en dus afwezig was, zat ik tussen half elf en twaalf met mijn hoofd in de Brug. Nu is dat veel minder als ik er niet ben. Vroeger voelde ik een tekort. Nu, mmm. Ik vind dat gevaarlijk. Het zegt iets. Al ben ik er graag want ik zal geen uitvluchten zoeken om niét te gaan.’

Wordt het tijd voor een doorstart?
‘ Ik denk dat het heel moeilijk wordt om nog bepaalde zaken op z’n kop te zetten. Wij hebben nu enkel nog het essentiële overgehouden. Misschien is het wel interessant om dat essentiële dat wij hebben terug te bevragen. Om daar terug over na te denken, op te frissen. Wat doen wij met de voorbeden, bv.? Of waarom de toespraken niet kort en krachtig i.p.v. verkapte causerieën?
Ik vraag mij soms af of iedereen nog méé is in de kapel? We krijgen een nieuw lied voor onze neus, we repeteren anderhalve minuut met de kapel en dan moet het ‘licht te zien zijn in onze ogen’. Bij mij zál je dan niets zien, want ik moet nog eerst de tekst begrijpen. Bovendien werd de Cantorij meer en meer een uitvoerend koor. Een echte Cantorij is een voorzang voor het volk, waar het volk in meegaat. Wij voeren nu uit, hoe langer hoe meer. Maar eigenlijk gaat het om de kapel.’