Maria Verlinden

 
Maria Verlinden

Leven als Caritas

Bij koffie (‘Wij mengen die van de wereldwinkel met die van de Aldi’) en De Strooperkoekjes hebben wij na enkele bijna-afspraken deze babbel. ‘Mensen hebben te veel werk, we hebben nauwelijks nog tijd voor elkaar,’ zegt ze. Dat geldt ook voor mensen van zeventig of tachtig die door een psalm de sterksten worden genoemd. Al hangt er in dit huisklooster licht en rust, toch waait er ook nu en dan de straatdrukte binnen, een zuster (‘Hoe lang moet rijst nu weer koken?’) of een reclamefolder.

Maria Verlinden was tiener tijdens de Tweede Wereldoorlog. Nu leest ze in de krant over de 18-jarige Annick Van Uytsel die vermoord werd. Ze hoort dat in de straat een Kosovaars gezin door de politie is opgepakt. En ze weet dat in de nabije kapel ‘vrouwen voorgaan’.

‘Ik houd een mooi kleed gereed in de kast, mocht je van gedacht veranderen,,’ zei haar moeder enkele keren nadat haar dochter op 22-jarige leeftijd intrad bij de Gasthuiszusters te Lier. Maar tot op vandaag, ze is nu 76, heeft Caritas zich haar roeping of leven nooit beklaagd. Beter nog: ze voelt zich gelukkig. Tot anderhalf jaar geleden maakte ze deel uit van de Bruggemeenschap, sedert december 2005 woont ze met enkele medezusters in het huis naast de Kapucijnenvest 16. Maar ze komt wel nog naar de lauden en vespers in de kapel van de Brug en zorgt in de tuin van haar voormalige gemeenschap ook voor de kippen.

Ze werd in Bouwel geboren. Toen ze achttien was, stierf haar oudste zus in een ongeval en werd zij zo zelf de oudste van een boerengezin van negen. ‘Vijf jongens kwamen na mij. Toen die misdienaar werden, voerde ik hen achterop de fiets naar de kerk. Ik heb vooral karaktertrekken van mijn vader. Een stille, rechtvaardige man maar soms ook een strenge hand. Maar in de oorlog zou hij alles hebben weggegeven aan mensen die het nodig hadden.’ Dat wou zijzelf ook toen ze in 1963 als missionaris vertrok naar Congo. De timing was in politiek opzicht slecht gekozen: Mobutu moest nog aan de macht komen, de ene rebellie volgde de andere op. ‘Samen met Lina woonde ik in Kisenge en later in Kasaji en Mutshasha (Kasaïprovincie). Drie keer werden wij uit ons huis verdreven en evenveel keer moesten wij alles nadien heropbouwen. Uiteindelijk keerden wij in 1978 definitief terug naar België, bij een opstand tegen het Mobuturegime in Kolwezi. De missie werd sedertdien verdergezet door Congolese zusters.’’

Terug in Lier werd zij voor negen jaar hoofd van de zustergemeenschap van het ziekenhuis. ‘In een gemeenschap van drieëndertig zusters!’ Vier jaar zetelde ze in het algemeen bestuur van de congregatie om uiteindelijk in 1992 met medezusters Marie-Thérèse, Liliane, Lief, Rosa en Lina en enkele leken in het Brugproject te stappen. ‘Er was moed voor nodig om dat op te starten. Je had het huis van de voormalige Coletienen moeten zien! Alles moest worden hersteld en ingericht. Ik hield er mij tot 2005 vooral op in de keuken, ontving mensen, luisterde bij de koffie naar de bezoekers. Hoeveel mensen daar niet verbleven of op bezoek kwamen. Wie er al niet nu en dan terugkeert om een goeiedag te zeggen.’

In Caritas’ kamer staat een mooie foto van zuster Lina met wie ze samen in Congo was. Ook een foto van een jonge Afrikaanse en enkele ebbenhouten beeldjes herinneren haar aan die jaren. ‘Lina en ik konden allebei Swahili. Onze Congolese jaren en onze kennis van het Swahili vergemakkelijkten de contacten met Afrikanen in België.’

Hoe voelt het na al die jaren week na week de vieringen in de Brug mee te maken? ‘De toespraken en de liedkeuze maken voor mij alle sterkte uit.’ Of het dan voor iemand uit haar kloostertraditie en generatie niet wennen blijft aan stijl en inhoud? ‘Onlangs hoorde ik de twee oudste zusters van dit huis in de keuken praten over de vieringen. Dat er een vrouw was voorgegaan! Dat er in de kapel verschillende ex-priesters zaten! Ik vond het al goed dat die twee er zo openlijk over bezig waren. Maar we verschillen toch van gedacht. Ik zie die oudste medezusters in deze meimaand met hun paternoster naar de kapel gaan bidden, ik bid mijn paternoster alleen als ik in de bus reis.’

‘ Van jaren in Afrika houd je altijd iets over,’ had ze tussendoor al een paar keer gezegd.