Geert Hendrix: Evengoed voor bromberen en fluittonen

 

Probeert u het maar eens zelf: met Geert Hendrix per telefoon of mail een afspraak te maken. Wij ging kort door de bocht en overvielen hem op een zondagavond terwijl hij aan zijn PC naar de la zat te zoemen. We kregen tijd cadeau. Voor een kopje koffie, een sigaartje en een halfuurtje vraaggesprek… vóór alweer een repetitie. Over wat de ‘veldheer van de Cantorij’ ter harte gaat in de zondagsdiensten.

Hoe zie jij je rol als dirigent in de vieringen?
Alle onderdelen van een viering moeten resoneren op het thema. Je overstijgt daarmee een gangbare cultuur in de liturgie waarbij de liederen ‘opluisterend’ functioneren. Dat is bij ons niet het geval. Huub Oosterhuis maakt liederen bij de bijbel. Wij in Lier zoeken bijbelse thematieken en wij vinden er dan liederen bij. Zo gaat dat goed. Mijn rol als dirigent is die uitgebreide liederenschat toe te passen door connecties te zoeken met de bijbelse thematiek.
Tijdens de viering zelf verdeel ik de rollen in dienst van de hele gemeente. Ik probeer de mensen die binnenstromen (de laatste minuten voor de vieringen en soms heel eventjes over half elf) in een lied te plaatsen. Ik zeg hen vaak dat het niet om de esthetiek van het zingen gaat maar om de symboliek van het samen zingen. Je moet niet mooi zingen, je moet geen schaamte voelen, wie meezingt is goed bezig.

Meezingen belangrijker dan de toon houden.
We zitten in een ellipsvorm, we zingen naar elkaar toe. Iedereen kan meezingen, zelfs een brombeer of iemand met een fluittoon. Dat maakt niet uit. Dat wil niet zeggen dat we zomaar alles, zonder rolverdeling, zingen. Bernard Huijbers drukte het mooi uit: liederen worden uitgevoerd ‘door podium en zaal tegelijk’. Het lied verheft, er is de ervaring van schoonheid. Op het podium staan musici (en mensen die zich in het zingen willen verdiepen) én er is een gemeente die kan participeren. Dat rollenspel houdt de dirigent bezig.

Soms is de Cantorij zo uitmuntend dat je vooral naar het podium kijkt.
Liederen hebben kracht wanneer elke stem onverminderd meedoet, in dialoog. Sopraan en tenor zingen dingen die de doorsnee kerkganger niet gezongen krijgt maar iedereen vorm wel een deel van het geheel. Het is in de jongste tien jaar geen tien keer gebeurd dat een lied wordt gezongen waarin de dirigent niet iedereen liet meezingen.

Een lied wil ... iets leren? Iets laten voelen?
‘ Als je iets zingt, doe je iets fundamenteel anders dan wanneer je iets zegt,’ zegt Huub Oosterhuis. Wat je zegt wordt al heel vlug een stelling. Spréken is stelligheid. Samen spreken heeft geen verbeeldingskracht, terwijl samen zingen die stelligheid wegneemt. Dan sta je meer in de orde van de vervoering, dan voegt men zich in een geheel. Mensen moeten in het zingen iets overwinnen, maar eens ze zover zijn, kunnen ze dingen zingen die ze niet meer samen kunnen zeggen.

Wat noem jij een geslaagde viering?
Een viering waarin alle onderdelen een organisch geheel vormen. Wanneer de verschillende taalniveau’s (de voorganger, de predikant,…) aansluiten op de liederen en vice versa. Binnen een bijbelcontext waarbij je het gevoel hebt: dit is geactualiseerd, dit is spiritualiteit, dit heeft een spirituele band met de meeste mensen. Alle spelers, voorganger, predikant, lector, diepen het bijbelverhaal uit, een verhaal dat niet alleen exegetisch blijft maar ook een spirituele toevoeging krijgt, iets raakt ... en daarin zijn de liederen een bindmiddel dat de hele lijn van voor en na het spreken concentreert.

We spreken nog altijd van ‘viéringen’ al klinkt dat raar in 2006?
Ik ben eerder voorstander van het woord dienst. Ik hoop dat alle liturgie dienst zou worden. Met vele orden van diensten, hier in de kapel van De Brug, of een straat verder, in een andere kerk ... Ik hoop dat de mensen het ervaren als een dienstwerk voor ons allemaal. Het is wonderbaarlijk dat mensen bereid gevonden worden om dat eeuwenoude boek, onze religieuze traditie van week op week te verhelderen. Dat is een dienstwerk, wij zijn elkaar van dienst om met onze eigen religieuze traditie iets te doen. Daarvoor heb je een medium nodig. Groepen, competenties die ons als individuen, als gemeenschap iets aanreiken waardoor het leven-in-het-alleen-maar-‘ik-en-nu’ overstegen wordt.

Neigt daarom de liedkeuze de jongste tijd geregeld naar het tijdloze ‘gregoriaans’?
Ik vind dat de traditie volop aanwezig moet zijn. Het is een grote uitdaging het traditionele mee te nemen in een nieuw ‘progressief kader’. Gregoriaans is niet ‘van Rome’. Wie zich afkeert van zijn traditie laat toe dat het expressieve ervan door andere groepen wordt overgenomen. Wie zijn symbolen veronachtzaamt, laat ze innemen door anderen. Maar met traditie mag je nooit naar één exclusief gegeven teruggaan. Alle éénkennigheid is fout. Eénkennigheid vermijd je bijvoorbeeld als je elementen uit de traditie gebruikt en confronteert met een ander, eigentijdser lied.

De komende maanden geen ‘Dag spettertje ...’ of ‘Er zijn daar oeroude tuinen’ meer. De kinderen verdwenen uit de diensten. Een verarming?
Wat we doen moet naar inhoud geloofwaardig blijven. Dan moeten we ons weinig zorgen maken om via een soort ‘maneuvers’ bepaalde groepen te gaan betrekken. Dat gaat voorbij aan de waarde van te zeggen: ‘Dit is een plaats met een eigen identiteit en die proberen wij heel levenskrachtig en vernieuwend verder te denken.’ De KNIB was een geschenk. Ik geloof nog in die idee van het samen vieren van kinderen en volwassenen. Tegelijk moeten wij dat niet ambiëren. De ‘inauthenticiteit’ die je aan de dag moet leggen om te proberen ‘voor elk wat wils’ te zijn (‘van 8 tot 80’) is zo’n onmogelijk gegeven dat je best vertrekt van de basisprincipes. Dat blijft levenskrachtig. Wat deze liturgie bijzonder maakt is dat het mensen aantrekt die op een of andere manier een herinnering hebben aan de traditionele kerk. De dienst aan die traditie ... is niet mogelijk zonder de herinnering aan de levende kerk van gisteren.

Zeg maar: aan de kerk van éérgisteren.
Ja. Je hoort het aan schriftuitleggers: het gaat om mensen die nog een ‘gloed van herinnering’ overhouden aan toén. Wij kunnen in De Brug niet iemand aanspreken die zegt: ‘Ik heb daar niets mee’. Het bevrijdende van de ervaring van déze liturgie is dat ze die traditionele elementen zien terugkomen in een ontspannen en toch orthodox kader.

Zo verhogen we het dijkje rond ‘onze gemeente’.
Ik doe daar niet bitter over. Sommige zaken zijn van een bepaalde generatie. De legitimiteit van dingen van twee à drie generaties ... blijft overeind. Ik geloof dat de levendigheid van de groep en de vernieuwing intern nu en dan enkele ‘zoekers’ raken kan. Ik geloof niet in de brede, maatschappelijke taak om iedereen die hier passeert aan te spreken. Daarin ben ik misschien wel wat joods. Het gaat mij wel ter harte dat wij ons tonen als een levenskrachtige beweging, als een kerk. Zonder frustraties, zonder zwaarmoedige gedachten over de toekomst, zonder verbittering over het verleden en met een eigen identiteit.