Op de eerste verdieping van de muziekschool geurt het naar warm eten. Beneden is er een feest op til. Door één van de deuren hamert Mozarts Turkse Mars. Aan een verloren tafel zitten twee papa’s te wachten tot wanneer hun dochters de celloles hebben beëindigd. Tijd voor een gesprek over iets wat hen allebei ter harte gaat: de zondagse diensten in de kapel van de Kapucijnenvest 16. De jongste papa coördineert er het reilen en zeilen van het Leerhuis- en Liturgieproject, met – naar eigen zeggen - ‘rust te brengen achter en charme vóór de gordijnen’.
‘Ik ben geboren in een gezin van twee dove mensen. Ik heb nog een oudere en een jongere zus. Dat mijn beide ouders doof waren, heeft mijn kindertijd getekend. Dat maakte dat ik heel gevoelig werd voor gebaren en de gebarentaal. De taal van doven is arm aan woordenschat, dus moeten zij met de grootte van gebaren en bewegingen een en ander goed maken. Tonen hoé kwaad je bent, doe je door uit te vergroten. Mijn eerste taal was gebarentaal maar muziek werd een stuk van mijn leven, de plek van troost waarin ik thuiskom.’
Zoveel behoefte aan troost gehad?
‘ Toen ik veertien werd stierf mijn vader. Ons gezin werd op zijn kop gezet. Mijn moeder kwam het huis niet meer uit. Ik moest het gezin leiden. Dat waren vruchtbare maar ook harde jaren. Uiteindelijk ging ik in Torhout voor onderwijzer studeren en daarna godsdienstwetenschappen in Leuven. Daar heb ik Lea, mijn vrouw, leren kennen. In 1985 trouwden we en een jaar later werd Joachim geboren. Het mooie leven zou beginnen ... en toen werd ons een kind geboren waarbij we veel moesten waken, voor wie we veel naar het ziekenhuis moesten rijden. De voorbereide doopviering van dank om het mooie, nieuwe leven werd een viering van aanvaarden van het leven zoals het op ons afkomt, een gebed om kracht om te beminnen en verder te gaan.’
En hoe ging dat gewone leven verder na je studies?
‘Er was eerst een interim bij beroepsleerlingen. Dat viel best mee, maar het was mijn ‘leven’ niet. Ik had toen het geluk om via een achterpoortje in Strijtem bij mentale gehandicapten een interim te beginnen. Ik werd er aanvaard vóór het bisdom ervan wist. Normaal moet je eerst een pastorale opleiding volgen en gescreend worden. Na dat jaar kwam er een kans in de psychiatrie in Diest waar ik geconfronteerd werd met mensen die ziek zijn en van wie het gedrag toch zo dicht ligt bij wat wij doorgaans normaal noemen. Pijnlijk. Na bijscholingen in de Sociale Hoge School te Heverlee, vooral over ‘communicatie’, werd ik aanvaard in het AZ van Bonheiden, waar ik ondertussen al 15 jaar werk, als pastor en coördinator van de pastoraal.’
En de muziek tussen dit alles in?
‘Van kindsbeen af speelde ik blokfluit. Ondanks mijn ouders, dankzij een onderwijzer, twee juffrouwen en een zelf gekochte plastic blokfluit. Toen wij als gezin naar Onze-Lieve-Vrouw-Waver kwamen wonen, deed ik nog zang en hernam ik mijn blokfluit. Dat laatste is nu afgewerkt. Momenteel volg ik de dirigentencursus in Lier.’
De zondagsdiensten zijn voor jou een praktijkoefening?
‘Ik heb eigenlijk altijd gedirigeerd: van mijn pick-up tot alles wat zich liet dirigeren. Waarschijnlijk heeft dat met mijn opvoeding te maken en dat ik mijn handen niet kan stilhouden. Een manier om mijn gebarentaal uit te breiden. Toen men mij vorig jaar vroeg om ’s zondags te dirigeren, dacht ik: ‘Wie ben ik om dat te doen? Ik ben geen tafelspringer.’ Toch doe ik het graag, al beheers ik die techniek nog niet. Ik moet nog veel leren. Het is moeilijker dan dat het eruit ziet. Je hebt ontzettend veel in handen: wat je niet aangeeft, wat je wel aangeeft, hoe groot je gebaren zijn. Je hebt veel in handen met weinig middelen.’
Wanneer is een viering voor jou goed geweest?
‘Ik geniet ervan als ik mezelf heb kunnen voorbereiden en die muziek in mij heb, de liederen mij liggen, als ik vrij ben van de ‘maat aangeven’. Ik heb een vriendelijke aanblik, ik zit nogal communicatief in elkaar. En als mensen meezingen, is dat toch prachtig?’
Hoe kijk je als coördinator naar het voorbije en naar het komende werkjaar?
‘Ik werd in september 2005 coördinator als de bakens al uitgezet waren. De planning was klaar. Ik vond het belangrijk dat het dit werkjaar kabbelde, zonder al te veel problemen. Achter de schermen probeerde ik om de financies goed gezond te krijgen. Het werd mij duidelijk dat er nieuwe vormen van organisatie moeten komen. Dat de communicatielijnen moeten worden hersteld en verhelderd, zodat iedereen weet wat je van een ander kan verwachten, waarvoor iemand aanspreekbaar is. Het leek mij belangrijk dit jaar dat iedereen tot rust zou komen en dat het toch inhoudelijk zou verder gaan.’
Coördinator, niet de beziéler van het geheel?
‘Ik ben eerder iemand die achter de schermen de rust probeert te bewaren en vóór de schermen de charmes.’
Vooraleer we onze dochters gaan oppikken: wat zou het instrument van je hart zijn?
‘ ... Ik houd vooral van de stém. Het is een ingewikkeld instrument maar je herkent het onmiddellijk aan de telefoon, het laat horen hoe mensen zich voelen. Wie zijn stem laten vormen, gaat de confrontatie met zichzelf aan. Elk ander instrument heeft maar zin als je erop ‘zingt’, als het ademt. Dat geldt zowel voor een blokfluit als voor een piano. En bij die stem hoort bij mij dan de term ‘cantabile’, ‘zangerig’: met een zekere mildheid en lief. Iets met zonnestralen, licht maar niet naïef.’
De kleur ook van jouw stem?
‘Die is eerder melancholisch. Ik heb een donker palet. Maar ik hou van die donkere kleuren. Zonder pessimisme want er zit naast pijn ook hoop in. Muziek trekt mij voortdurend op.’