Archief werkjaar 2002 - 2004

Vijf kleine profeten

'Kleine profeten', het klinkt niet echt wervend. Er zijn te weinig mensen die er enkele van de twaalf kunnen noemen, nog minder die hun werk echt hebben gelezen. Hun aandeel in de bijbelboeken is bescheiden: samen vullen ze nauwelijks meer bladzijden dan de 66 hoofdstukken gewijd aan de hun veel bekendere collega Jesaja.

Maar net als de 'grote' profeten zijn ook deze twaalf geroepenen. Geroepen - soms tegen wil en dank - om hun afgedwaalde, ontmoedigde of verharde tijdgenoten te herinneren aan het woord van Jahwe, de God van hun vaderen. Deze God-bevrijder, deze ik-zal-er-zijn-God is het hart van hun aanklacht, van hun visioenen, van hun dringende oproep tot bekering.

Vijf weken gaan we op weg met enkele van deze 'kleine' zoekers naar zin in hun - ook toen - onrustige tijd. In de grote politieke gebeurtenissen én in het dagdagelijkse speuren ze naar tekens van Leven.

Allerzielen

Is van oorsprong Germaanser; Het eerste getuigenis vinden we bij bisschop Notger, in 1008, stichter van het prinsbisdom Luik. Pas in 1300 werd dit feest door Rome overgenomen: 'voor de overleden gelovigen in het vagevuur om door speciaal gebed hun eindverlossing te verkrijgen'. Het is een feest met veel volksgebruiken: kaarsen branden op het graf, zielenkoeken eten, witte bloemen als teken van geloof in de verrijzenis en ook 'porciunkelen' (het bidden van 6 onzevaders, 6 weesgegroeten en 6 Glorie-zij-de-vaders ter verkrijging van de volle aflaat). Beide feesten zijn verbonden aan de natuur die haar vergankelijkheid laat zien. Vallende bladeren verbonden aan een verinnerlijkte sfeer bij de donker wordende dagen. Beschavingen laten hun waardigheid zien in de wijze waarop ze vredig en respectvol met de vergankelijkheid van het leven omgaan en hoe ze hun doden gedenken. Het blijft belangrijk het verhaal van mensen te blijven vertellen en hun namen te noemen. Dankbaar gedenken van geliefden en vrienden.

Allerheiligen

Is ontstaan vanuit de vroegchristelijke kerkvervolgingen: alle naamloze martelaren werden op één dag gevierd. Vanaf 519 vindt men dit feest op 13 mei in het oosten terug. Op 13mei 609 wordt het Romeinse Pantheon gewijd als sancta Maria ad martyres: het feest van de onbekende martelaren. Maar in 732 verandert Gregorius III het in het feest van 'alle heiligen' naar aanleiding van een ontering van graven door een beeldenstorm in het oosten. Ondertussen verlegde het zwaartepunt van de liturgie zich van Rome naar Gallië. Het is Lodewijk de Vrome die in 844 bekomt dat het feest van Allerheiligen gevierd wordt op 1 november, als een soort verzamelfeest of oogstfeest van de heiligen naar het afsluiten van het kerkelijke jaar toe. In de huidige beleving gaat men opnieuw terug naar de meer oorspronkelijke betekenis: viering van alle heiligen.

Over parabels

Een parabel is een verhaal waarin iets eigenaardigs en uitzonderlijks wordt verteld en waardoor lezers en luisteraars verrast, geërgerd, verbaasd en soms geschokt worden. Een parabel argumenteert met het ongewone, het abnormale en ongehoorde en stuit dus vaak op protest.
Een parabel heeft een knaleffect:
• een grootgrondbezitter die de roekeloosheid begaat zijn eigen zoon naar opstandige pachters te sturen;
• een 'rijke' gastheer die de excuses en eigenwijsheid van zijn omgeving doorprikt en 'overschot-mensen' uitnodigt op zijn feest;
• Een wijngaardenier die zijn overeenkomst nakomt en meteen botst met een gang van zaken, een wereld van 'voor wat, hoort wat... !!'
Parabels nodigen ons met een speelse ernst uit om oude denkgewoonten en gedragingen te overstijgen. Zij doorlichten ons verleden, zij stellen ons in vraag 'vandaag' en nodigen ons uit tot een toekomstdenken en handelen dat iets zegt over een God die uitdaagt en uitnodigt en grenzen verlegt en vrij wil maken...

Barmhartigheid

Met het grondwoord 'barmhartigheid' heeft de joodse traditie meer dan eens het werkelijkheidsgebied van de spiritualiteit ontsloten.
Gods overvloedige goedheid staat centraal en de joden trachten deze in hun leven te ontvangen en uit te beelden. De nieuwtestamentische barmhartigheid stond vanaf de beginperiode van het christendom centraal.
Nadien heeft ze doorgewerkt in de christelijke theologie. Meister Eckhart bijvoorbeeld zei: 'Het hoogste werk van God is barmhartigheid.' Dit komt tot gestalte in de werken van barmhartigheid. Aanvankelijk liep het aantal uiteen. Maar belangrijker dan de aantallen zijn de motieven: de werken van barmhartigheid zijn een teken van menselijke solidariteit en maken gelijkvormig aan Gods barmhartigheid. Vanaf 1200 worden ze samengevat in zeven werken. Het gaat telkens om het lenigen van zeven behoeften van mensen in de 'misérie'. Bij die werken van barmhartigheid goot het terecht om het menszijn ter wille van de mens, met name om zijn menswaardigheid.
Voor gelovigen zijn deze werken geen middel voor het eigen 'zielenheil', maar een uiterst belangrijke component van de 'Liefde tot God' en Bemiddeling van Gods liefde jegens de mens." (E. Schillebeeckx)


Traditie

Waarom, zo vraagt een joods jongetje aan zijn leraar, zeggen wij in ons gebed altijd: God van Abraham, God van Isaac, God van Jacob? Is het niet veel eenvoudiger om te bidden tot de God van Abraham, Isaac en Jacob? Wij bedoelen toch dezelfde God?
Neen, zegt de leraar, dat is niet zo. Abraham vertelt over zijn ervaringen met God aan zijn zoon Isaac. Maar wat Isaac op zijn beurt met de God van zijn vader meemaakt, is totaal anders dan wat zijn vader heeft meegemaakt. En Jacob heeft weer een heel eigen verhaal met de God van zijn vaderen.
De traditie is volgens dit chassidisch verhaal niet iets wat kant en klaar als een kostbaar kleinood doorgegeven wordt aan de kinderen, die het ter zijner tijd weer doorgeven aan hun kinderen. Als dat wel zo was, dan zou dat voldoende zijn om de traditie ongeschonden door te geven aan de volgende generatie. Traditie is echter iets wat gebeurt in en tussen mensen die op het snijpunt van traditie en ervaring zich in het heden een weg proberen te banen naar de toekomst toe.
Traditie is wat je meekrijgt en kan iets waardevols toevoegen van de ene generatie op de andere. Je kan ervan profiteren en ervan genieten. Maar ze kan ook een doem op je leven leggen, zodat ze blokkeert en lamlegt. Dan wordt traditie onverteerbaar. Hoe eerbiedwaardig ook, altijd is traditie mensenwerk en dus relatief. Om traditie verteerbaar en genietbaar te maken, moet ze vertaald, verwerkt en geactualiseerd worden. Dat doet men niet alleen in kunst en architectuur, maar ook in het gewone dagdagelijkse leven. Dus ook kerk heeft deze beweging nodig van vertaling, verwerking en actualisering. Omdat uiteindelijk alles draait, niet zozeer om de traditie op zich, maar om de leven gevende bron die erin verborgen ligt."

De twee boeken van de Makkabeeën

Het eerste en tweede boek van de Makkabeeën zijn ruige schriftboeken die verhalen over de periode van 175 tot 135 voor Christus. Ze beschrijven de joodse opstand tegen de opvolgers van Alexander de Grote die in Israël de deugden van het hellenisme en vooral hun eigen politieke gezag oplegden. Ruig is vooreerst de strijd die de joodse rebellenfamilie van de Hasmoneërs of Makkabeeën -'de zonen van de hamer'- voerden tegen de Griekse verdrukkers. Ruig is ook de religieuze zelfzekerheid en retoriek van Mattatias en zijn vijf zonen (waaronder Jonatan, Simon en de voornaamste: Judas).
Wellicht niet toevallig rees later rond de 'canoniciteit' van deze boeken grote onenigheid binnen de kerken. Voor de protestantse bijbel werden het eerste en tweede boek van de Makkabeeën (samen met Baruch, Judith, Tobias, Prediker en Wijsheid) geweerd uit de canon van de ware bijbelboeken, de katholieke traditie schrapte het derde en vierde boek van de Makkabeeën.
Ondanks hun controversiële karakter zijn beide boeken verrassend onbekende en tegelijk indrukwekkende tijdsdocumenten van een bewogen periode uit de joodse geschiedenis. En ze bieden rijk veel stof om -met verhalen uit het ongerijmde of vanuit het tegendeel- te bezinnen over heilsgeschiedenis, heilsleer en waarachtige heiligheid. Of eenvoudiger: om te vragen waar wij mensenkinderen en volkeren ons terecht of misschien ten onrechte de Eeuwige aanwezig weten in wat voorbij is en in ons huidige doen en laten. Over onze kromme lijnen dus en over Gods schrijfstijl.

De 'ongekende' deugden

Toen wij samen zaten om deze vieringenreeks te bespreken, kwamen wij tot de vaststelling dat de deugden ons niet bekend waren.
We wisten dat we er zeven moesten zoeken, de drie voornaamste (geloof, hoop en liefde) kenden we al. Dus moesten we op zoek gaan in de traditie om de vier overige te zoeken. Via Breughel, een oude catechismus en een boek, kwamen we op het spoor van de vier overige deugden
Deze laatst genoemden, ook de vier kardinale deugden genoemd, zijn ouder dan de drie eerste. Zij komen al voor in het werk van Plato. In de middeleeuwen zijn de drie goddelijke ervoor geplaatst en zo bereikten ze ons in het heilige aantal van 7. De vier overigen zijn
• De verstandigheid: of de anticipatie, ook prudentia of voorzichtigheid genoemd
• De kracht: of de fortitudo, ook standvastigheid of zelfs 'martelie' genoemd...
• De gerechtigheid: of justia, ook rechtvaardigheid of naastenliefde genoemd
• De gematigdheid: of temperantia, ook onthouding of de beteugeling van lusten genoemd...
Uit bovenstaande benamingen kan al blijken dat elke tijd deze kardinale deugden anders heeft ingevuld. Gekoppeld aan enkele sterke bijbelse lezingen kunnen ook wij iets met deze begrippen uit een lange traditie.
Dat wij drie zondagen lang - en ook nog daarna - de deugd weer opnieuw in het midden plaatsen.
Ik ben woorden van Johannes
Efese. Rond het jaar 90. Een kleine ecclesia van havenarbeiders, winkeliers en een paar meer gegoeden, grotendeels van Joodse herkomst. Ze komen geregeld op sabbat bijeen in een of ander huis om het brood te breken en samen maaltijd te houden. Centrale figuur in de gemeente is een hoogbejaarde Galileeër. Ooit was hij leerling van ene Jezus van Nazareth, een rabbijn die meer dan een halve eeuw vroeger rondtrok door Galilea, Samaria en Judea. Hij verkondigde een nieuwe leer en verrichtte opzienbarende tekenen. Op aandringen van de tempelhiërarchie in Jeruzalem werd hij daar terechtgesteld door de Romeinse bezetter. Wie was hij geweest, die Jezus? Wie is hij nog voor die mensen in Efese? Wie is hij voor ons die deze veertigdagentijd het credo van de Johannesgemeente horen?

Psalmen

" Vanaf mijn twaalfde heb ik zingend de psalmen gebeden zoals Huub Oosterhuis die vertaalde in zijn boekje Vijftig Psalmen ... Eerlijk gezegd wist (en weet...) ik toen (en nu...) niet wat ik eigenlijk zong. Maar de grote ontdekking was dat ik van lieverlee een heleboel psalmen uit mijn hoofd kende. En af en toe blijkt ineens dat een regel handen en voeten krijgt door de momenten van de dag heen. Psalmregels zitten in mijn hoofd 'voor het geval ik ze nodig mocht hebben'... Er gaat daarmee een wereld open waar ik het bestaan nooit van had kunnen bedenken. "(A. De Keyzer)...
" Op de golfslag van het lied worden we uitgetild boven het niveau van wat uitspreekbaar en uitspreekbaar is. ...Het is niet een vlucht, maar een terugkeer naar onze wortels. "(A. Hesehel) De psalmen zingend raken we aan lagen in ons die liet onzichtbare wel aanvoelen, maar niet kunnen articuleren. Tegelijk is dit de plek waar onze diepste voorstellingen en onze hoop worden geboren. Hier liggen de wortels van ons spreken en handelen. Het zingend uitroepen van de psalmen verenigt ons ook met God die zich in zijn NAAM aan ons te kennen geeft. (Kees Waaijman)
Hij is zijn Naam en zijn Naam is Hij". De Hebreeuwse omschrijving voor God bevat vele betekenislagen. Ze drukt verleden, heden en toekomst uit: ‘Hij was; Hij is; Hij zal zijn’. Ze drukt ook betrokkenheid uit. Hij is 'Die er was; Die er is en Die er zal zijn voor u'. maar zij houdt aak afstand in: 'Hij was wie Hij was; Hij is wie Hij is; Hij zal zijn wie Hij zal zijn'. Anders gezegd: JHWH is niet - in woorden - te vatten Hij is de Andere. Ten slotte drukt het woord actie uit. Die er is, doet ook. Hij spreekt, luistert, wordt bewogen, roept op...
Deze reeks gaat over die JHWH-naam en over wat er met een mens kan gebeuren die deze Naam blijft toezingen. Wie zingt, ontdekt soms waar het over gaat. In flitsen verstaat hij zichzelf en zijn verhouding tot anderen en vindt hij vrede met het leven en zijn plaats in de wereld. De betekenis van Ik-zal-er-zijn gaat dieper voor hem open. De Thoraregel - Gij zult 'Ik-ben-er-voor-u' liefhebben met heel Je hart en ziel en verstand en je naaste als jezelf - gaat anders klinken. Hij wordt van gebod tot belofte, tot bemoediging en verbond.

Dogma's

Het woord 'dogma' klinkt bij velen vandaag als een vloek in de oren. Het adjectief 'dogmatisch' wordt geassocieerd met begrippen als 'star', 'gesloten', 'statisch' of 'vastgeroest'. Onze huidige maatschappij heeft een afkeer van dogma's. Ook voor heel wat christen gelovigen is het begrip dogma wel eens een struikelblok. Van Dale geeft als omschrijving: 'vastomlijnd, aan geen beredenering meer onderworpen geloofsartikel of leerstelling op niet-religieus gebied; iedere waarheid waarvan de katholieke kerk plechtig heeft verklaard dat zij door God geopenbaard is en daarom door de mens geloofd moet worden.' Een dogma verwijst naar geloof en zet de rede tussen haakjes. Daar hebben de mensen het behoorlijk moeilijk mee vandaag.
Hiermee steekt echter een nieuw dogma de kop op:' er zijn geen dogma's meer en er mogen er ook geen meer zijn ' lijkt het vandaag als het ware het centrale - aan geen redenering meer onderworpen - geloofsartikelen te zijn. Twijfelen, voortdurend in vraag stellen, zoeken naar tegenspraak, dat is wat onze postmoderne tijd ons leert. Blind geloof en overgave moeten plaats ruimen voor existentieel zoeken en twijfelen, voor interpretaties en herinterpretaties, voor dialoog en tegenspraak.