Missa is de klassieke benaming voor de Rooms-katholieke, Latijnse eredienst. Een kerkdienst waarin veel gezongen wordt, heet 'plechtig' of in het Latijn solemnis. In de muziek verstaat men onder Missa een compositie in suitevorm van de tot elke mis behorende vaste gezangen, het zogeheten 'ordinarium': Kyrie, Gloria, Credo, Sanctus, Benedictus en Agnus Dei.
Sinds de invoering van de eigen landstaal in de katholieke liturgie in 1964, is de overheersende rol van het ordinarium sterk afgenomen ten gunste van de wisselende inhoudelijke elementen: schriftlezing, gebeden, preek. De rol van de muziek in de volkstaalliturgie is vaak gereduceerd tot het zingen van enkele strofische liederen, zoals gebruikelijk in de protestantse eredienst. Deze Missa Solemnis is gecomponeerd op een serie van teksten van Huub Oosterhuis die samen een geheel vormen. Daarmee grijpen Oosterhuis en Löwenthal op nieuwe wijze naar de liturgisch-muzikale zangtraditie van de oude kerk en het gregoriaans: de liturgie als één doorgaand gezang. Net als in die oudste liturgieën vormen de teksten een hechte collage met een thematiek, ontleend aan de joodse en christelijke Heilige Schriften.
Centraal in deze Missa Solemnis staat een tekst die afkomstig is uit de joodse schrift (het zgn. Oude Testament), die in het jodendom tot op de dag van vandaag een zeer belangrijke plaats inneemt: het 'Sjema Jisraeel', Hebreeuws voor 'Hoor Israël'. Deze tekst wordt de religieuze joden dagelijks 's ochtends en 's avonds gereciteerd als belijdenis van Gods eenheid. Hoor Israël. Hij onze God, Hij één, heb hem lief, jouw God, met heel je hart en ziel, uit al jouw kracht. (Deuteronomium 6,4-5)
Deze Missa Solemnis is bedoeld om gevierd te worden als een kerkdienst, met een 'dienst van het woord' en een 'dienst van de tafel'.
De begeleiding is in eerste instantie geschreven voor piano en orgel. Een grotere instrumentatie (met koperkwintet en slagwerk) kan aan de Missa een nog 'solemneler' karakter geven. Componist Tom Löwenthal verenigt in het werk een gregoriaanse tekstgetrouwheid, een hymnische melodievoering en een eigentijdse ritmiek.
Een jonge man krijgt na een verwarrende en avontuurlijke speurtocht naar de honderdste naam voor Allah aan het eind van zijn weg van een huismeester, die de trap aan het vegen is, het verlossende woord te horen:
'O, onverbeterlijke dwaas - maar wel een dwaas zoals ikzelf er een was! Toen bij mij de staar was doorgeprikt, zag en hoorde ik de honderdste naam van Allah honderd- en duizendvoudig. In de kreet van een vogel en in de blik van een kind, in een wolk, in een baksteen en in de schreden van een kameel.'
Geheel in overeenstemming daarmee zegt de joodse traditie: "God is daar waar Hij wordt binnengelaten. En ook waar men zich met Hem inlaat: Daar vallen aanwijzingen, sporen, indicaties te ontdekken, al zoekend, vragend, luisterend, zwijgend, handelend.'
Namen voor God zijn geen holle klanken of ijle onverstaanbare benoemingen. Ze zijn een levend woord met consequenties voor het dagelijkse leven. "Uw Naam worde een werkwoord", zou vertaald kunnen worden in de uitspraak van de joodse filosoof Levinas: "Naar de eeuwige toegaan wil zeggen.... toegaan naar anderen die dat spoor volgen."
Je ontmoet in de bijbel figuren die niet opvallen, maar die een merkwaardige rol spelen in de plot van een verhaal. Er lijkt iets ontrouws in hun handelen, iets wat we geneigd zijn te veroordelen. Maar, als we dichterbij komen, winnen ze onze sympathie. Ze blijken een heel eigen dynamiek te hebben, waardoor ze ons denken over God en mensen een andere wending kunnen geven.
Drie figuren willen we in deze reeks uit de schaduw halen, omdat ze de vanzelfsprekendheid van een maatschappelijk gevestigd godsbeeld doorprikken, of omdat we ons in hun vraag, in hun protest, herkennen.
Bij elk van deze figuren speelt het lichaam een opvallende centrale rol. Het lichaam is de plaats van onze worsteling om in dit leven onze weg te vinden, het is de plaats van onze pijn en onze vreugde, en de plaats van de vermogens waarmee we kennen.
Daarom is het ook de poort waardoorheen God zich aan ons openbaart.
Deze drie verhalen gaan verder dan het individuele lichaam van deze drie personages. Ze vertegenwoordigen het volk dat doolt en terecht komt, dat vraagt en zoekt dat in opstand komt en tot overgave komt.
Drie vieringen over hoe mensen tot hun geluk - hun heil - kunnen komen binnen relationele verhoudingen.
Verhalen over menselijke relaties: over hun duur en hun - soms - stormachtig verloop, verhalen over menswording (=Genesis). De bijbel staat er vol van. Die verhalen hebben het over mensen die met verwondering en/of pijn vaststellen hoe ze in elkaar zitten; hoe ze - niet - zijn wie ze wilden zijn en doen - of niet doen - wat ze wilden doen.
Ze gaan over alleman en zijn soms botsende behoeften: zijn nood van erkenning van zijn "eigenheid" maar ook zijn nood aan geborgenheid, aan een 'samen', aan een sociaal weefsel.
In de bijbelse relaties herkennen wij de onze.
Mensen hebben nood aan zelfstandig - staan en willen ruimte voor een eigen unieke identiteit. Daarover gaan de bijbelverhalen. En over de mateloosheid soms van dit verlangen, over ‘god in het klein’ willen spelen en met de brokken blijven zitten en tot het besef komen dat deze weg niet leidt naar de realisatie van je diepste zelf.
We herkennen de ervaringen van geborgenheid en eenzaamheid, van erkenning en miskenning. Een tijdlang hebben mensen het gevoelen ergens bij te horen en daarna weer niet meer. Ze vinden een vertrouwde plek bij één lieve mens, bij broers, bij een familie, bij een groep, bij een volk dat met zijn God worstelt en Hem wil zien met zijn eigen ogen. Mensen willen ergens bijhoren. Doorheen het kiezen van mensen voor elkaar kan de Levende oplichten!
Tellen is vertellen: drie vieringen rond getallensymboliek in de bijbel.
Met getallen kun je tellen. Maar ze worden ook symbolisch gebruikt. Als we ons geduld verliezen, « hebben we iets al tien keer gezegd ». Of we geven iemand na twee pogingen nog één kans: « driemaal is scheepsrecht ». We zeggen: « Hij zal niet in zeven sloten tegelijk lopen. » Elf is een ‘gekkengetal’ en dertien het ‘ongeluksgetal’. Voor het verstaan van de bijbel is het van groot belang om getallen en hun veelvouden te bekijken op hun symbolische of verwijzende betekenis.
Eerst staan we stil bij het getal één, en gaan we op zoek naar een eenheid binnen de veelheid en snelheid van deze tijd.
Vervolgens worden we ingewijd in de wondere wereld van bijbelse getallen, leeftijden en berekeningen.
Tot slot staan we stil bij de tijd die nooit stil staat, of toch? Van geen tijd tot al de tijd, of is er ook nog een eindtijd? Is er dan een verschil in de tijd van de natuur, de klok, de kalender en het leven? Wees er tijdig bij of de getallen gaan met jou aan de haal!
Met Kerstmis vieren we het feest van de incarnatie, de menswording van God. God is te vinden in de mens. De transcendente Eeuwige neemt gestalte aan in een sterfelijk menselijk lichaam, zegt de theologie. Hij is hierin verborgen, verhuld aanwezig. Wie hij is wordt gaandeweg onthuld, tot ontplooiing gebracht in het leven en werken van de mens Jezus. En, Hem achterna, in ons leven en werken.
Men kan zich erover verwonderen dat, ondanks dit geloof, ondanks dit ‘dogma’, het christendom zulke minderwaardige kijk op lichamelijkheid ontwikkelde. Het dualisme, weliswaar van Griekse, gnostische oorsprong, zag het lichaam en de lichamelijke neigingen als de bron van alle kwaad, en een zware tegenkracht voor de geest, die ook in ons leeft, en die naar ‘hogere dingen’ streeft. Deze visie werd gretig opgenomen in de ontwikkeling van het christendom in de eerste eeuwen, en heeft er hardnekkige wortels in geslagen.
In een reeks van drie diensten willen we kijken naar een positieve theologie van het lichaam, voortbouwend op dat visioen van de menswording van God.
Vooreerst zien hoe Jezus in het ‘vlees’, door zijn lichamelijke nabijheid, aanwezig is, en ‘goddelijk’ werkt, een goddelijke werkelijkheid laat zien.
Bovendien, vanuit de joodse spiritualiteit, die een heel positieve kijk heeft op het lichaam, het lichaam zien als de plaats van al onze vermogens. In ‘dit’ lichaam zijn we geschapen en het is dan ook het uitgangspunt van onze scheppingskracht.
Ten slotte zien we het lichaam als uiterst kwetsbaar en vergankelijk. Bij het leven hoort pijn. En het hoort bij onze drang naar zelfbehoud om aan de pijn te ontkomen. Toch moeten we door de pijn heen om te groeien. Blijven staan in de gebrokenheid houdt ook levenskansen in.
‘ Apocrief’ betekent ‘niet echt’, ‘nagemaakt’ of ‘vervalsing’.
In het officiële, theologische taalgebruik zijn apocriefe boeken bijbelse boeken waarvan ‘Rome’ (na lange disputen) sedert het concilie van Trente (1546) zegt dat ze bij de bijbel horen, iets waarmee de protestantse wereld het niet eens is. Het gaat bijvoorbeeld om 1 en 2 Makkabeeën, Wijsheid, Tobit en Judit. Boeken die wel in de ‘katholieke’ maar niet in de ‘protestantse’ bijbel te vinden zijn.
Maar er zijn nog andere apocriefe boeken net zo min door protestantse als door katholieke kerkleiders aanvaard als ‘bijbels’. Zoals ‘het evangelie van Thomas’ en ‘het evangelie van Maria Magdalena’. Hoe onecht zijn die twee apocriefe geschriften als je ze naast het Woord van God legt of als je ze toetst aan de praktijk waarin ze ontstonden en die ze inspiratie gaven? In deze vieringen komen Maria Magdalena’s evangelie (toespraak 15/2 door Gretel van den Broeck) en Thomas’ evangelie (toespraak 8/2 door Marc Van Laere) aan bod
Op een spoorweg zonder ondersteunende dwarsliggers geraakt ieder treinbestuurder in de problemen. Door grondverzakkingen en spoorverschuivingen zal de reis vroegtijdig eindigen en de eindbestemming niet worden gehaald.
Sporen naar een menswaardiger samenleving of een geloofwaardiger gemeenschap heeft eveneens maar kansen tot slagen wanneer bij monde van dwarsliggers weerwerk mogelijk is aan afwijkingen en verschuivingen van de beginopties, aan immobilisme en nog veel meer die het beoogde doel van de rit verstoren. Meermalen heeft de geschiedenis aangetoond dat bij gebrek aan kritische stemmen of corrigerende opstellingen samenlevingsopbouw vastloopt of ten ondergaat. Maatschappij- en kerkvernieuwers, profetische figuren, alternatievelingen en dwarsliggers zijn niet te missen, al kunnen ze best moeilijk doen.
In onze traditie was Jezus van Nazareth daarin wellicht het sterkste voorbeeld. Hoe Hij, met het rijk Gods tot heil van mensen voor ogen, zijn stem verhief en uitdagingen aanging. Zijn ‘tegenstroom in gaan’ werd door de gevestigde en geprivilegieerde groepen niet in dank afgenomen, met alle gevolgen van dien voor zijn persoonlijk leven. Het werd wel de aanzet tot een wereldwijde heilsbeweging tot in onze dagen. "Denken jullie dat ik ben gekomen om vrede te brengen op aarde? Nee, zeg ik jullie, eerder verdeeldheid"
Aan de hand van enkele profetische figuren die het aandurfden om in hun leefwereld de klokken van gerechtigheid en waarheid te luiden, worden we uitgenodigd om ons te bezinnen over onze eigen verantwoordelijkheden in de maatschappelijke en spirituele wereld waarin we ons bewegen.
Niettegenstaande dus... wat ook gebeurt...!
'Gij’ ! Gij hebt ons gehoord, onze vernederingen, ons zwoegen. Gij hebt u ons lot aangetrokken...,’ lezen we in Deut. 26,7-8. Dit schriftwoord weerspiegelt ook ons leven zoals het gaat en nog moet gaan. In deze vastentijd worden wij weggeroepen zoals toen, uit onze beklemmende denkbeelden en angsten en vooroordelen met de vraag op welke Heer wij ons richten tijdens onze zoektochten. Om te leren wat liefde en zich verbonden voelen is, zegt datzelfde schriftwoord, moet je je wagen aan de moeilijkste liefde:
de liefde tot wie je vreemd is ! Als je wil liefhebben wie je vreemd is, voorkom je best dat je niet wegzakt in een schijnliefde, een bezitterige liefde of een bloed- of bodemloze liefde. Dit is de kortste en hevigste samenvatting van de bijbelse levensleer; een verbond dus! (Gen. 15,1b-2.5-18a). Het heeft te maken met omkeren en uitkijken; met loslaten en loskomen van heel zichtbare vanzelfsprekendheden en zekerheden. Geduld en hoop kunnen grenzen verleggen lezen we in Lc. 13,1-9. Laten we feest vieren dus om deze getroffen, bewogen, meevoelende, vergevende Aanwezigheid, zoals de vader die zijn zoon verwelkomt na een lange te begrijpen of niet te begrijpen afwezigheid. (Lc. 15,1-3.11-32) Van deze woorden wordt gezegd dat ze te volbrengen zijn. Ze zijn te doen, omdat ze gedaan werden – laten wij voortgaan op deze weg! (Fil. 3,1b-14.16) Palmzondag wordt dan echt een gezegende dag over een koning die komt! (Lc. 19,28-40.)
De handelingen van de apostelen vormen in het Nieuwe Testament een bijzonder deel. Ze kunnen worden beschouwd als scharnier tussen de evangelies en de brieven. Ze sluiten aan bij de evangelies omdat Lucas ze schreef als een zelfstandig vervolg op zijn evangelie. Ze horen bij de brieven omdat ze hetzelfde 'werkterrein' betreffen. Het boek is geen geschiedenis van het vroegere christendom. Zoals de evangelies wil het verkondigen.
Maar bovenal vertellen de handelingen over de levens van mensen. Mensen en wat hen is overkomen; het onbegrijpelijke gebeuren geraakt te worden door de Geest van de Levende God. Elke beschrijving verkleint die ervaring en doet afbreuk aan het onrustbarende dat deze metanoia kenmerkt.